- Startseite
- ›Grammatik
- ›A1
- ›Artikel: de und het
Artikel: de und het
Bestimmte Artikel de/het, unbestimmter een
Kann de/het/een korrekt verwenden
Schau dir diese Beispiele an. Kannst du das grammatische Muster erkennen?
De man leest het boek in de tuin.
Der Mann liest das Buch im Garten.
Het meisje heeft een klein hondje.
Das Mädchen hat ein kleines Hündchen.
De huizen in Amsterdam zijn oud en mooi.
Die Häuser in Amsterdam sind alt und schön.
Achte auf die hervorgehobenen Teile. Was haben sie gemeinsam?
Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden: de en het. Er is ook één onbepaald lidwoord: een (uitgesproken als [ən]).
| Bepaald | Onbepaald | |
|---|---|---|
| De-woorden | de man, de vrouw | een man, een vrouw |
| Het-woorden | het kind, het huis | een kind, een huis |
| Meervoud (altijd) | de mannen, de huizen | — mannen, — huizen |
Wanneer de, wanneer het? Er is geen betrouwbare regel. Je moet het geslacht van elk woord leren. Maar er zijn handige tips:
- Altijd de: personen (de man, de vrouw, de leraar), beroepen, bomen, bergen, rivieren
- Altijd het: verkleinwoorden (het huisje, het meisje), talen (het Nederlands), metalen, windrichtingen
- Meestal de: ~75% van alle zelfstandige naamwoorden!
In meervoud: Het lidwoord is altijd de: het huis → de huizen.
Tip: Leer elk woord mét lidwoord: niet 'huis' maar 'het huis'.
Wanneer gebruik je de of het? Vuistregels:
- de: meervoud (de boeken), personen (de man, de lerares), beroepen, vruchten en bomen (de appel, de eik), getallen en letters niet - zie het.
- het: verkleinwoorden (het huisje, het meisje), talen (het Nederlands), metalen (het goud), werkwoorden als zelfstandig naamwoord (het eten), windrichtingen niet - die zijn de.
Veelgebruikte de-woorden: de man, de vrouw, de dag, de week, de stad, de straat, de auto, de fiets, de tafel, de stoel, de deur, de school, de winkel, de markt, de koffie, de thee.
Veelgebruikte het-woorden: het huis, het boek, het kind, het water, het brood, het jaar, het uur, het werk, het land, het dorp, het raam, het bed, het geld, het weer, het station, het hotel.
Ongeveer 75% van de zelfstandige naamwoorden is een de-woord - bij twijfel is de de beste gok, maar leer elk woord samen met zijn lidwoord.
Häufige Fehlermuster
Wrong article gender
Learn each noun with its article. Diminutives (-je) are always het. Plurals are always de. Persons are usually de.
Omitting articles entirely
Dutch requires articles where English does. Only professions after zijn can drop them: Ik ben student.
De man leest het boek in de tuin.
Der Mann liest das Buch im Garten.
'Man' ist ein de-Wort (Person). 'Boek' ist ein het-Wort. 'Tuin' ist ein de-Wort.
Het meisje heeft een klein hondje.
Das Mädchen hat ein kleines Hündchen.
'Meisje' ist ein het-Wort (Diminutiv -je). 'Hondje' ist auch het. Mit 'een' + het-Wort bekommt das Adjektiv kein -e: 'klein'.
De huizen in Amsterdam zijn oud en mooi.
Die Häuser in Amsterdam sind alt und schön.
Plural immer mit 'de', auch für het-Wörter: het huis → de huizen.
Im Kurs üben
Wende diese Grammatik in den Übungen des Kurses A1 an