- Startseite
- ›Grammatik
Grammatik-Nachschlagewerk
Meistere die Grammatik mit umfassenden Erklärungen und Beispielen
Personalpronomen
A1Personalpronomen mit betonten/unbetonten Formen
Kann niederländische Personalpronomen korrekt verwenden
Aanwijzende voornaamwoorden
A1Demonstratives: deze/die (de-words), dit/dat (het-words)
Can use deze/dit/die/dat correctly based on de/het and distance
Bezittelijke voornaamwoorden
A1Possessives: mijn, jouw/je, zijn/haar, ons/onze, jullie, hun
Can use possessive pronouns including ons/onze distinction
Das Verb "zijn" (sein)
A1Konjugation von 'zijn' (sein)
Kann 'zijn' für Identität, Beruf, Nationalität konjugieren
Das Verb "hebben" (haben)
A1Konjugation von 'hebben' (haben)
Kann 'hebben' für Besitz und Gefühle konjugieren
Regelmäßige Verben im Präsens
A1Regelmäßige Konjugation mit 't-kofschip-Regel
Kann regelmäßige Verben im Präsens konjugieren
Scheidbare werkwoorden
A1Separable verbs: prefix goes to end in main clause (opstaan→ik sta op)
Can use separable verbs with correct prefix placement
Modale werkwoorden
A1Modal verbs: kunnen, willen, moeten, mogen, zullen + infinitive at end
Can use modal verbs with infinitive at end of clause
De gebiedende wijs
A1Imperative: stem form (Kom!, Ga zitten!), polite with u
Can form imperatives in informal and formal register
Wortstellung: der Hauptsatz
A1SVO-Wortstellung mit V2-Regel und Inversion
Kann Hauptsätze mit V2-Wortstellung bilden
Verneinung mit 'niet' und 'geen'
A1Verneinungsregeln für niet und geen
Kann Sätze korrekt verneinen
Vraagzinnen
A1Yes/no questions (verb-first) and W-questions (wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe)
Can ask yes/no and W-questions with correct word order
Er + onbepaald onderwerp
A1'Er' as existential (Er is/zijn...), locative, and prepositional pronoun
Can use 'er' in existential, locative, and prepositional constructions
Voorzetsels van plaats
A1Prepositions of place: in, op, aan, bij, naast, voor, achter, tussen, onder, boven
Can describe locations using Dutch prepositions of place
Voorzetsels van tijd
A1Prepositions of time: om (clock), op (days), in (months/years/seasons), 's morgens/avonds
Can use time prepositions correctly