- Startseite
- ›Grammatik
- ›A1
- ›Modale werkwoorden
Modale werkwoorden
Modal verbs: kunnen, willen, moeten, mogen, zullen + infinitive at end
Can use modal verbs with infinitive at end of clause
Schau dir diese Beispiele an. Kannst du das grammatische Muster erkennen?
Ik kan goed Nederlands spreken.
Ich kann gut Niederländisch sprechen.
Je mag hier niet roken.
Hier darf man nicht rauchen.
Wij moeten morgen vroeg opstaan.
Wir müssen morgen früh aufstehen.
Achte auf die hervorgehobenen Teile. Was haben sie gemeinsam?
Modale werkwoorden staan op positie 2, de infinitief gaat naar het einde:
| Modaal | Betekenis | ik | jij | hij/zij | wij/jullie/zij |
|---|---|---|---|---|---|
| kunnen | can | kan | kunt/kan | kan | kunnen |
| willen | want to | wil | wilt/wil | wil | willen |
| moeten | must/have to | moet | moet | moet | moeten |
| mogen | may/be allowed | mag | mag | mag | mogen |
| zullen | shall/will | zal | zult/zal | zal | zullen |
Zinsbouw: Modaal op positie 2, infinitief aan het einde:
Ik kan goed Nederlands spreken.
Wij moeten morgen vroeg opstaan. (scheidbaar werkwoord blijft heel in infinitief!)
Häufige Fehlermuster
Conjugating the infinitive after a modal
After a modal, the second verb stays in infinitive form: Ik kan spreken, not *Ik kan spreekt.
Ik kan goed Nederlands spreken.
Ich kann gut Niederländisch sprechen.
Modal 'kan' auf V2, Infinitiv 'spreken' am Ende.
Je mag hier niet roken.
Hier darf man nicht rauchen.
'Mag' = dürfen. 'Niet' vor Infinitiv.
Wij moeten morgen vroeg opstaan.
Wir müssen morgen früh aufstehen.
'Moeten' auf V2. Trennbares Verb 'opstaan' bleibt im Infinitiv zusammen.
Im Kurs üben
Wende diese Grammatik in den Übungen des Kurses A1 an